Reisverslagen
logo

RUG-reis naar Spitsbergen

24 augustus t/m 5 september 2009

Voor het eerst in drie jaar organiseerde de afdeling Alumnirelaties van de RUG weer een alumnireis. Als bestemming kozen we een gebied, dat niet alleen sterk tot de verbeelding en avonturiersdrang van velen spreekt, maar ook nog eens diepe wortels in de Nederlandse geschiedenis heeft: Spitsbergen. De RUG heeft hier zelf ook geschiedenis: het Arctisch Centrum heeft hier al sinds enkele decennia een onderzoeksbasis.

 

Met 30 alumni aan boord van de barkantine de “Antigua” hebben prof.dr. Hacquebord en Frits Steenhuisen van het Arctisch Centrum van de RUG de west- en noordkust van Spitsbergen gedurende een 12-daagse reis bezeild. Hoe ongelofelijk mooi en geslaagd deze reis was, kunt u in dit verslag nalezen.

24 augustus - We kunnen niet wachten onze eerste schreden te zetten op Spitsbergen, dat onherbergzame, pure en fascinerende stuk land, waarover we tijdens twee informatiebijeenkomsten al zoveel gehoord hebben. Vanuit het vliegtuig van Tromsø naar Spitsbergen valt de afgelegenheid meteen op: geen paadje, hutje of elektriciteitspaal te ontdekken, tot we dichter bij Longyearbyen zijn.

Longyearbyen blijkt een klein, maar leuk plaatsje te zijn, waar de mijnbouwgeschiedenis nog goed zichtbaar is. Het weer is prachtig, al voelen we de Arctische kou in de schaduw best. Aan de overkant van de Isfjord zijn de verschillende sedimentlagen, waar prof.dr. Hacquebord ons over verteld heeft, duidelijk te onderscheiden op de bergen.

In de namiddag melden we ons op de “Antigua”. Het zonnige weer houdt ’s avonds aan en we zien een fantastisch landschap aan beide zijden van het schip voorbij trekken. Onderweg wordt een aantal vogels gespot: ganzen, eidereenden, dikbek zeekoeten, een zwarte zeekoet, noordse stormvogels, noordse sterns, grote burgemeesters en papegaaiduikers. Onder fel zonlicht zoeken we onze kooi op.

 

Aan land

De eerste landing doen we in de Engelsbukta. Hier heeft een Engels walvisstation gestaan, waarvan we de resten tegenkomen op weg naar de Comfortlessbreen. Deze lijkt dichtbij, maar is ver weg, een fenomeen dat we voortdurend zullen tegenkomen hier op Spitsbergen: het verkeerd inschatten van afstand. In de watergeul bij de gletscher zien we een baardrob zwemmen en eerder in de baai werden we al gevolgd door een nieuwsgierige ringelrob. We varen verder door naar de Kongsfjord om een blik te kunnen werpen op de Kungsbreen. We passeren hierbij Ny-Ålesund op de zuidelijke oever van de Kongsfjord, waarna we ons vrij snel voor het eerst tussen drijfijs bevinden. Sommige brokken hebben een prachtig blauwe, heldere kleur. Achter de Kungsbreen steken de drie toppen van de Tre Kroner (Dana, Svea en Nora) majestueus in het avondrood omhoog en we zien met eigen ogen de roestbruine kleur van het Old Red Sandstone dat in het Devoon hier neergeslagen is.

Noordelijkste nederzetting ter wereld (volgens sommigen)

In Ny-Ålesund verzamelen we bij het beeld van de Noorse ontdekkingsreiziger Roald Amundsen, die vanuit deze plaats met zijn luchtschip de “Norge”, ontworpen door aeronautisch ingenieur Umberto Nobile, over het Arctisch gebied wilde vliegen (dit lukte). Twee jaar later zou Amundsen omkomen bij de reddingspoging van het luchtschip “Italia”, waarmee Nobile crashte op de terugweg van de Noordpool. Verderop in het landschap torent hoog de landboei boven ons uit, waarmee het luchtschip werd geankerd. De verticale lijnen op de bergen laten ons de sporen zien van 75 mln. jaar geleden, toen Groenland voor het laatst tegen Spitsbergen botste, hetgeen resulteerde in een grootschalige, verticale ophoping van gesteente. Deze botsing is verantwoordelijk voor de spitsheid van de bergen aan de westkant van Spitsbergen, die Willem Barentsz inspireerden tot de naam.

In Ny-Ålesund nemen we tevens een kijkje in het onderzoeksstation van het Arctisch Centrum, waar dr. Maarten Loonen onder andere zijn onderzoek naar ganzen verricht. Op Blomstranden leidt prof.dr. Hacquebord een deel van de groep omhoog door de steengroeve, waar een poolvosje wordt gespot dat al goeddeels in de wintervacht zit. Ook zien we onze eerste rendieren, wel drie, op onze weg omhoog. De stilte is hier werkelijk oorverdovend.

 

Amsterdamøya: Nederland en de Walvis

De volgende landing is op Amsterdamøya: we zien ernaar uit met eigen ogen de Nederlandse geschiedenis op dit eiland te zien, waar van 1614 tot 1660 de Noordsche Compagnie een walvisvangststation onderhield. We zien de overblijfselen van de 6 traanovens (7e van de Denen) die hier hebben gestaan en de 16 huizen. Hoewel andere naties de Nederlanders voor gek verklaarden dat ze juist op dit totaal onbeschutte stuk kust per se een nederzetting wilden bouwen, was het vanuit zeeman’s oogpunt niet zo vreemd hier te settelen: bij opkomend pakijs kon altijd via de zuidroute worden weggevaren en het strand stelde de walvisvaarders in staat de walvissen rustig af te spekken, in plaats van langszij het schip. De Groenlandse walvis was favoriet, aangezien deze vrij traag zwemt en daardoor een relatief makkelijke prooi vormde. De graven op Smeerenburg zijn zwaar verstoord, en niet door de minste: onze eigen koningin Wilhelmina vond het, na allerhande grafschendingen, nodig om één massagraf te maken voor de Nederlanders die op Smeerenburg begraven lagen.

 

Ijsberen en walrussen

Bij Vasahalvøya, Sallyhamna, is een jonge Vinvis aangespoeld, die een enorme aantrekkingskracht uitoefent op de hongerige ijsberen in de buurt. We zien er drie! Vanaf Sallyhamna stevenen we noordwaarts, in de hoop op Moffen Island walrussen aan te treffen. Maar onderweg krijgen we niet alleen bezoek van Noordse stormvogels en papegaaiduikers, maar ook van Neptunus in hoogsteigen persoon, met onvervalst Gronings accent. Om deze breedtegraad (80˚!) te mogen bevaren zullen we toch echt allemaal gedoopt moeten worden. We laten ons met genoegen onderplenzen met een soeplepel ijskoud (4˚C) water. Tot nog groter genoegen van allen treffen we even later inderdaad een groep walrussen op Moffen Island aan, waarvan geschat wordt dat ze met meer dan honderd zijn.

Op de Reinsdyrflya valt het ons op dat hier, zoveel noordelijker dan Longyearbyen, de zomer nog bezig lijkt te zijn, terwijl in het zuiden de herfst zijn intrede al doet. We komen diverse plantjes tegen, waaronder lepelblad, stengelloze silene, drooping saxifrage en de poolwilg. Het avondlicht aan de Reinsdyrflya is werkelijk fenomenaal en een aantal van ons genieten er lang van alvorens de kooi weer op te zoeken.

 

Zelf op de gletscher

Tot onze grote vreugde en verwondering besluit een minke whale ons de volgende dag met een bezoek te vereren, deze zwemt lustig gedurende lange tijd heen en weer bij onze achtersteven. Wij tiptoën erachteraan, van bak naar stuur. Hij laat ons zijn prachtige witte buik zien, imposante lengte en grote bek als hij verticaal omhoog komt. Dit bezoek is uniek, de minke whale staat bekend om zijn schuwheid.

Deze ochtend gaan we te voet vanuit de oostelijke kant van de Raudfjord (de Klinckowströmfjord) het halvøya oversteken. De eerste keer dat we zelf voet op een gletscher zullen zetten! Vanachter de bergen komt de Raudfjordbreen aanrollen en op het moment dat we de gletscher naderen horen we gerommel als een zachte donder. We blijven staan en kunnen goed zien hoe een stuk van de gletscher aan het waterfront afbreekt. Een mooie cirkelvormige poel van drijfijs verspreidt zich met relatief hoge snelheid door de fjord.

Nog meer beren!

De volgende dag varen we naar Sallyhamna even verderop en zien tot onze vreugde dat er nu vijf beren rond het karkas van de Vinvis zwerven, waarvan twee een ijsbeervrouwtje met cub, die spelend naar elkaar happen in het water. We vervolgen onze weg en doen Virgohamna op Danskøya aan. We gaan hier aan land om de overblijfselen van de Harlinger Traankokerij te zien. Vanaf deze plaats vertrok ook Solomon Andree in 1897 met zijn waterstofballon de “Örnen” naar de Noordpool. Deze missie was eigenlijk kansloos en in het verslag van Andree valt terug te lezen dat hij er zelf van tevoren eigenlijk al een hard hoofd in had. Op de 83˚ breedtegraad stortte het schip neer, we weten dat drie man erin slaagden over het ijs Kvitøya te bereiken, waar ze in hun slaapzak doodgevroren zijn teruggevonden in 1926. Hierop kregen deze mannen een staatsbegrafenis in Stockholm. In Virgohamna zien we de resten van de hangar en ankerplaats van het luchtschip, alsmede resten van ovens die de Traankokerij gebruikte. Ook zien we op verscheidene rotsblokken tegen de helling van de berg de initialen van zeelieden gekrast.

 

Na dit bezoek stomen we door naar de Forlandsund. Vanuit de stuurhut wordt nauwlettend uitgekeken naar walvissen, die hier zouden moeten zitten, maar door de aanhoudende en dichte mist blijkt het onmogelijk een ‘blow’ aan de horizon te spotten. We weten allen dat we nu echt niet ver meer van de thuishaven Longyearbyen zijn en dit levert gemengde reacties op. Sommigen van ons hebben al bereik met hun mobiel en maken hier gretig gebruik van, terwijl anderen er niet aan moeten denken binnenkort uit deze wondere wereld van pure natuur en stilte te moeten vertrekken.

Na het avondeten maken we ons op voor een wandeling in Trygghamna. De klauterpartij is volledig de moeite waard: niet alleen hebben we gedurende het hele traject een indrukwekkend uitzicht op de Alkhornet, die in het langzame donker worden haast luguber onder de wolken uitsteekt, ook treffen we na de laatste heuvel wel zeven rendieren aan die op hun dooie gemakje staan te grazen en zich niet in het minst aan onze aanwezigheid storen.

 

Barentsburg

Op deze laatste dag aan boord van de “Antigua” varen we ’s nachts door, met de razeilen op, naar de overkant van de Isfjord om Barentsburg te bezoeken. Deze nederzetting is in de jaren 20 van de vorige eeuw door Nederlanders opgezet om de steenkool uit het gebied te winnen, maar al in 1932 verkocht aan de toenmalige Soviet Unie. Hoewel we door prof.dr. Hacquebord gewaarschuwd zijn dat een bezoek aan Barentsburg deprimerend kan zijn, valt het in de praktijk mee dankzij het prachtige heldere weer, dat ons in staat stelt vanaf het hotel de noordpunt van Prins Karl’s Forland te zien dat toch zo’n 70 mijl weg ligt. Het Pomor museum biedt aardig wat informatie over de geschiedenis van het plaatsje en een groot aantal opgezette dieren, min of meer vakkundig.

Door hierna een stukje hoog water mee te pakken kunnen we nog net ankeren in de Borebukta, maar we moeten niet te lang wegblijven. We lopen een route over de tundra naar de Nederlandse steenkoolmijn die hier was en vinden één van de ingangen. In de steenlagen is het steenkool duidelijk te onderscheiden en terwijl we ernaar kijken worden we gevolgd door een aantal paarse strandlopertjes. We trekken verder over de tundra naar enkele ingestorte gebouwtjes en vanaf dit punt zien we verderop duidelijk een paar poolvosjes. Hoewel deze een stuk schuwer zijn dan de rendieren, kunnen we toch redelijk lang van ze genieten, voor ze achter de rotsen verdwijnen.

 

Terug in Longyearbyen

Gelukkig rest ons nu nog een ochtend in Longyearbyen, waarop de meeste mensen in ieder geval het museum van Svalbard aandoen en nog snel wat laatste souvenirs en boeken ophalen in de winkel. Het museum blijkt een aangename verrassing om aan het eind van de reis te bezoeken, wanneer we rondlopen kunnen we veelal zonder tekst te lezen al zien waar we naar kijken, omdat we er net zelf nog waren. Het is ontzagwekkend om naar de overblijfselen van de relatief eenvoudige uitrusting van de walvisvaarders van vroeger te kijken, zeker als we bedenken wat voor heerlijke spullen we zelf bij ons hadden om ons tegen de kou te beschermen. De enorme ijsbeer in het midden van de zaal lijkt bijna expres groter gemaakt, zo reusachtig is hij, en maakt blij dat we deze hele reis niet aan land oog-in-oog met één hebben hoeven staan.

 

4 september - Uiteindelijk is het tijd Spitsbergen achter ons te laten. We weigeren de reis ten einde te laten zijn en bespreken vast de mogelijkheden voor een reünie. Ieder is op zijn eigen wijze onder de indruk geraakt van Spitsbergen – van de uitzichten, het licht, de tundra, de vogels, de ijsberen, de planten, de bergen, de zee en niet te vergeten ons unieke gezelschap. Twee van ons zijn zodanig geïnspireerd geraakt dat zij een gedicht hebben gecomponeerd (Talen naar een Epos – M.C. van Hoorn en Pinksterbloemen in September – R.E. Ekkers)

 

Verslag Rhoda Schuling

 

Dwaalgasten

 

Jij ging de ene
ik de andere kant
op over de dijk
volop op drift.


Wind ging me voor
met snelle schreden
licht volgde stapvoets
scheerde langs
schuimkoppen van water
de witte stuit van een grutto.


Liefde volstaat
om te kijken
naar al dat moois.


Maar ik zag niets
vond geen antwoord
van welke steltloper ook.


Toen wij tegelijk
op het keerpunt kwamen
wisten zij er al eerder van
onze voeten, afdrukplaatjes


Zij trokken nieuwe dagen
naar ons toe
of
verzonnen dat.


Aly Freije